Boekbespreking: Moeder in twee werelden

Anita Rebel: Moeder in twee werelden.

Uitgeverij Gopher, Amsterdam 2010. ISBN 9789059742536 (Dementie/PO/1). Zie ook de website van de uitgever.

Soort boek/stijl/ziekte

Anita Rebel beschrijft in dit boek de periode waarin haar moeder de ziekte van Alzheimer kreeg tot aan haar dood. Anita schrijft vanuit haar perspectief. Een heel mooi boek, goed geschreven, openhartig, oprecht, hartverwarmend, met soms ook beschrijvingen van schrijnende situatie rondom verzorging. Een boek waarvan je onder de indruk raakt en dat je niet meer loslaat.

Over de schrijfster

Anita Rebel woont in Den Haag, maar is het liefst midden in de natuur. Ze is een alleenstaande werkende moeder, heeft 2 zonen Sebastiaan en Jonathan en 6 katten. Anita’s moeder stierf op 79-jarige leeftijd, nadat zij gedurende een aantal jaren de ziekte van Alzheimer heeft gehad.

Korte beschrijving

Dit boek is niet alleen een eerlijke en oprechte beschrijving van Anita Rebel over de periode waarin haar moeder als gevolg van de ziekte van Alzheimer dementerend wordt. Het is ook een liefdesverklaring van een dochter aan haar moeder. Anita Rebel beschrijft hoe haar moeder aanwezig was binnen hun gezin, bestaand uit haar twee zonen Sebastiaan en Jonathan, een aantal dieren en zijzelf. Wat voor activiteiten zij gezamenlijk deden en hoe zij met elkaar omgingen. Ze was haar vaste oppas toen de kinderen nog jong waren. Ze maakten gezamenlijk uitstapjes, vierden Sinterklaas en Kerstmis samen en leefden in wederzijdse liefde en respect.

Haar moeder woonde in haar eigen huis en langzamerhand wordt duidelijk dat ze vergeetachtig wordt en de boel laat verslonzen. Als na een gang door de gezondheidszorg duidelijk wordt dat Anita’s moeder de ziekte van Alzheimer heeft, belooft Anita voor haar te zorgen en vraagt haar moeder meteen om te zeggen wanneer het niet meer gaat.

Met wederzijds respect gaan zij deze ervaringen aan. Anita vertelt hoe het moment komt dat haar moeder moet verhuizen en uiteindelijk in een verpleeghuis opgenomen moet worden. Anita beschrijft wat ze allemaal regelen moet en hoe zwaar dat soms kan zijn. Dat haar zoons haar daarbij helpen waar ze kunnen. Hoe ze steun vindt bij een groepje lotgenoten én haar zoons als haar moeder steeds meer last krijgt van verschijnselen van de ziekte van Alzheimer. Hoe ze zich, gaandeweg de rit, steeds meer moeder voelt worden van haar kinderen én van haar moeder.

Anita laat zien dat ze op deze manier zo goed mogelijk nakomt wat ze beloofd heeft, voor haar moeder zorgen, terwijl ze ook beschrijft waar dat niet kan en hoe ze zich machteloos voelt. Ze kan haar moeder niet in huis nemen en ook niet continu bij haar in het verpleeghuis zijn. Maar ze kan er wél zijn voor haar moeder en dat doet ze ook. Ze neemt altijd de telefoon op, ook al belt haar moeder tien keer op een dag en raakt ze daar weleens geïrriteerd door. Naarmate de jaren verstrijken vergeet haar moeder dat ze bezoek heeft gehad of gebeld heeft, mee uit is genomen. En hoewel napraten dan niet meer mogelijk is, geniet ze wel van die gezamenlijke activiteiten. Tot bijna het einde van het leven van haar moeder vieren ze gezamenlijk Kerstmis en Sinterklaas, ook al moeten zij en haar zonen wel steeds meer moeite doen om deze activiteiten mogelijk te laten zijn. Maar ze brengen het steeds weer op.

Anita beschrijft hoe de zorg rondom haar moeder regelmatig te wensen over laat. Hoe sommige verzorgenden te weinig oog hebben voor de zorg die haar moeder nodig heeft, zodat ze die zelf ter handen gaat nemen. Daarom is ze gedurende de laatste jaren van haar moeders leven intensief met haar bezig. Naast ontroerende momenten legt Anita uit hoe moeilijk het soms is om de steeds zwaarder wordende zorg te combineren met haar baan en haar huishouden met twee opgroeiende middelbare scholieren. Anita heeft moeite met het verdriet van haar moeder en de pijn die ze moet verdragen, vindt het aan het eind onmenselijk worden.

Vol liefde voor haar zonen beschrijft ze hoe die ook voor hun oma zorgen, waar ze mee hebben gevoetbald en die toeschouwster was bij het door hen aangestoken vuurwerk. Aan het eind van het boek, als Anita’s moeder gestorven is tussen oud en nieuw, steken Sebastiaan, Jonathan en Anita op oudejaarsavond in het park waar ze met oma voetbalden een mooi stuk vuurwerk op ter ere van haar.

Wat viel op

Heel veel. Dit is een boek dat indruk maakt. Net als bij een paar andere boeken die over dementeren gaan, bijvoorbeeld Bernleffs Hersenschimmen of Stella Braam en haar vader.

Niet alleen beschrijft Anita de schrijnende situaties die zich voordoen als iemand in het verpleeghuis opgenomen wordt. Ze zijn herkenbaar, worden opgeworpen als problematisch en ook door anderen beschreven, onder andere door Stella Braam en Anne-Mei The. Het heeft te maken met een houding onder een deel van de verzorgenden ten aanzien van hun zorg voor patiënten. Anita beschrijft waarom ze sommigen onder hen niet kan vertrouwen zonder emoties teveel op te laten spelen of mensen tekort te doen. Maar als deze personen dienst hebben weet ze dat ze meer aanwezig wil zijn om haar moeder dan maar zelf te verzorgen. En dat zou niet zo mogen zijn.

Tot het laatst toe beschrijft ze situaties: door de incontinentie, een open mond, verkeerde kleding, blijft ze de persoon zien waarvan ze houdt. Steeds dieper en steeds intenser raakt ze betrokken bij alle emoties en alle stadia van hoop en wanhoop die haar moeder doormaakt. Het boek raakt je ook al omdat je je goed in kunt leven in de emoties die zowel Anita als haar moeder kennen. Met behulp van haar kinderen probeert Anita naar eer en geweten voor haar moeder te zorgen en voor haar beslissingen te nemen als zij dit zelf niet meer kan. En hoe moeilijk dat emotioneel kan zijn komt in dit boek ook duidelijk naar voren. Een prachtig boek.

Citaten

Pag. 41: ‘Lang niet alle verzorgsters hebben door hoe bepaalde dingen niet meer kunnen bij mijn moeder en zij benaderen haar helemaal verkeerd. Ze roepen haar zowat ter verantwoording als ze op een vraag tweemaal een antwoord geeft. Ze wordt erg verdrietig, want de spanning die dit meebrengt merkt ze heel goed. (…) Het merendeel van het personeel werkt daar niet met het hart maar straalt een bepaalde ongevoeligheid uit. Hardheid en niet echt betrokken bij de mensen, terwijl een zachtere inbreng zoveel meer rust en ontspanning met zich mee kan brengen, zonder het doel voorbij te streven.’

Pag. 71: ‘Mijn zoons zitten in de proefwerkweek en leren al de wijsheid in en uit hun hoofd. Mijn moeder staat aan de andere kant, ook te hersenbreken. Ze staat met twee stuks ondergoed in haar handen. Niet meer wetend welke ze net heeft uitgetrokken en welke ze nu weer schoon moet aantrekken. De inspanning aan beide kanten even groot. Echter, er is een verschil. De een wordt er daadwerkelijk wijzer op, de ander niet meer. Het is een kwelling voor mij mijn moeder zo te zien stumperen en ik pak in de wandelgang de vuile was van haar over. Met een “Zo, die gaat in de was!” laat ik haar in haar waarde. Deze moest dus aan. Ik wil mijn moeder zo niet zien. Het is zo vernederend aan het worden op deze manier.’

Pag. 141-142: ‘Ze huilt voortdurend en heeft alleen maar pijn. (…) Ik vraag of de arts langs wil komen, haar nakijkt en met mij overlegt wat we kunnen doen voor haar. Opeens wordt alles duidelijk. Boven haar stuit blijkt een vreselijk lelijke doorligplek te zitten. Dat is dus de reden van het alsmaar doordringender gehuil. Uren op je open stuit zitten en niet meer kunnen zeggen hoe pijn dat doet. (…) Ik begrijp het niet zo goed. Weken geleden zat er een klein plekje dat ter bescherming was afgeplakt. Heeft niemand er dan ooit meer naar gekeken? (…) Het gat is bijna zo groot als mijn vuist, en zo diep. Wat moet ze een pijn hebben! Ik wil de morfine verhoogd hebben. Ik zeg de arts dat dit absoluut niet zover had hoeven komen. Hij begrijpt mijn frustratie en probeert me wat te sussen ..(…) Maar dit speelt al weken.’

Pag. 160: ‘Midden in het natte grasveld steekt Sebastiaan de vuurpot aan, kijkt naar boven en zegt: “Nou oma, dit is voor jou.” De lichtstralen reiken net zo hoog in de lucht als diep in mijn hart. Heel emotioneel hebben we gedrieën dit aan je opgedragen en hoewel je lichaam nog in je eigen kamertje ligt, moet je geest dit toch wel hebben opgemerkt.’